De zeehond - De gewone zeehond (Phoca vitulina)

Van de twee soorten zeehonden die voorkomen in de Waddenzee, komt de gewone zeehond, of Phoca vitulina, het meeste voor. Hoewel gewone zeehonden geregeld in groepen van enkele tientallen en soms zelfs van meer dan honderd op zandbanken liggen te zonnen, zijn het geen sociale dieren. Ze zijn niet, zoals de grijze zeehond, in kudden georganiseerd. Ook maken ze niet zoveel lawaai, zelfs niet in de paartijd. Het zijn rustige en vreedzame dieren.
De lichaamslengte van de gewone zeehond, ligt tussen de 120 en 180 centimeter en het gewicht kan oplopen tot 120 kilo. Een gezond mannetje kan zo'n 24 jaar oud worden. Een vrouwtje ongeveer 40 jaar. De gemiddelde levensverwachting blijft steken op circa 10 jaar, omdat veel jonge dieren het vaak niet redden. De gewone zeehond heeft een ronde, stompe kop en een licht en donkerbruin gevlekte huid met kleine vlekjes.

De gewone zeehonden voeden zich in het algemeen met meer bodemgebonden vissen, zoals platvissen, maar de meeste dieren zijn vrij opportunistisch wat eten betreft. Sommige gewone zeehonden eten in gebieden die meer dan 20 kilometer van hun ligplaats verwijderd zijn; andere dieren eten vis die direct in de omgeving te vinden is. Volwassen zeehonden jagen per dag gemiddeld drie tot vier kilo makreel of haring bij elkaar. De dieren die platvis eten, dat een stuk magerder is, hebben per dag bijna twee keer zoveel in gewicht nodig als de dieren die vette makreel of haring eten.
De gewone zeehonden uit de Waddenzee trekken vooral in de winter de zeegaten uit om te jagen. De platvis is dan immers het koude water op het wad ontvlucht en houdt zich in wat dieper Noordzeewater op.

De gewone zeehond in de Waddenzee is duidelijk anders dan andere soorten zeehonden. Het verschil is het duidelijkst bij de geboorte van de pups. In het koude noorden worden de jongen geboren met een mooie witte bontjas aan, die ze warm houdt. Bovendien vallen ze daar niet mee op als ze op een ijsschots liggen. In de Waddenzee daarentegen verliezen de pups hun witte jas al in de baarmoeder. Op de zandplaten, die regelmatig overspoeld worden bij vloed, hebben ze geen voordeel van dat zachte haar.
De jongen worden geboren in de periode eind juni tot half juli. Dit gebeurt met laag water op drooggevallen zandbanken. De jongen moeten vrijwel meteen kunnen zwemmen, omdat de zandbanken met vloed overspoeld worden door water.

De gewone zeehond kent een zogenaamde stille zwangerschapsfase. De bevruchte eicel nestelt zich pas na een maand of drie in de baarmoeder, zoals eerder genoemd. De eigenlijke draagtijd is dan ook maar zeven maanden, zoals hiernaast te zien is.

De zoogtijd duurt één maand. In die tijd groeit een jong van acht kilo naar 24 kilo. Dit komt vooral door de enorm voedzame moedermelk, dat een vetgehalte heeft van zo'n 45 procent. Toch krijgen de jongen niet al het voedsel cadeau. In de eerste periode moet het jong iedere dag twee keer verplicht zwemmen door de opkomende vloed. Ook worden ze verondersteld de eerst beginselen van de jacht onder de knie te krijgen. Spelenderwijs zien ze hoe hun moeder een prooi vangt. Om te kunnen overleven is het van groot belang dat ze dit gedrag kopiëren en zelf ook trefzeker leren toeslaan.
Direct na de zoogtijd kijkt het moederdier nauwelijks meer om naar haar jong. Dan is de paartijd aangebroken en heeft ze het te druk met het selecteren van een potentiële vader van haar volgende pup.
De kritieke periode in de voortplantingscyclus valt voor de gewone zeehond samen met de tijd wanneer het op het wad het drukst is in verband met de pleziervaart en wadloop activiteiten.
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de Eems-Dollarmonding in Nederland het belangrijkste voortplantingsgebied van de gewone zeehond is. Hier kunnen de zeehonden langer aan wal blijven dan elders in de Waddenzee omdat het wad hier lang droog valt en het gebied een beschutte ligging heeft. Bovendien is het er rustiger dan op andere plekken. Zo heeft de zeehond minder last van de mens. Hier bestaan de kolonies nu voor éénderde tot éénvierde uit jongen. In tegenstelling tot het westerse deel van de Waddenzee, waar het percentage jongen veel lager ligt. De oorzaak van dit verschil is te vinden in het verschil van de waterkwaliteit. De grootste kolonies van ieder 100 tot 150 zeehonden komen daarom in het oostelijk waddengebied voor. De grootste concentratie, van ongeveer 150 zeehonden, telde zeehondenonderzoeker Peter Reijnders in 1995 onder Ameland.