De zeehond - De voortbeweging

In het water
Met een topsnelheid van zo'n 35 kilometer per uur, mag de zeehond gerekend worden tot de goede zwemmers. Bij het zwemmen worden de voorste vinpoten gebruikt om te sturen. De achterste vinpoten en het lichaam zorgen voor de voortstuwing.
Een zeehond zwemt net zo makkelijk rechtop als ondersteboven. Het lichaam is volledig aangepast aan de snelheid onder water; het is torpedovormig (dynamisch) en de oorschelpen zijn, zoals al eerder genoemd, niet aanwezig. De neusgaten zijn tijdens het zwemmen gesloten. Deze gaan alleen open als de zeehond boven water adem haalt. Meestal komt de zeehond na ongeveer 6 minuten boven, maar er zijn ook duiken bekend waarbij de zeehond pas na 40 minuten boven water komt.
Als een zeehond tijdens het duiken een prooi vangt, komt er water in zijn bek. Door de sterke strottenhoofdspieren wordt verhinderd dat er water in de luchtpijp stroomt.

Op het land
Met alle aanpassingen voor het leven in de zee, is de zeehond op het land maar een stuntel. Ze kunnen niet lopen omdat de achterste vinpoten in het verlengde van het lichaam staan. Dit is anders dan bij zeeleeuwen, die hun achterste vinpoten nog een beetje kunnen gebruiken en dus een stuk beter kunnen lopen. Zeehonden slepen hun lichaam over de grond met behulp van hun voorste flippers. Dit noemen we bobberen. Op het kaartje hiernaast is goed te zien hoe dat gaat.

Slapen
Zeehonden kunnen op het droge Ún in het water slapen. In het water slapen ze rechtop (drijvend als een dobber), horizontaal drijvend of op de bodem. Onder water kunnen ze een dutje van een half uur doen, daarna wordt het tijd om adem te halen.