De zeehond - De lichaamsbouw

Om goed te kunnen overleven in het water, is het lichaam van de zeehond gestroomlijnd en uitstekend aangepast; de schouderbladen zijn in het lichaam verborgen. De schouder en kop van de zeehond kunnen alle kanten opdraaien door middel van sterke spieren en soepele kogelgewrichten. Daardoor kunnen ze de omgeving goed waarnemen.
Voor het waarnemen van de omgeving gebruikt de zeehond zijn zintuigen; voelen, horen en zien. Een zeehond heeft goed ontwikkelde snorharen die naar voren gericht zijn. Deze snorharen kunnen de trillingen in het water goed opvangen en omdat ze naar voren gericht zijn, kunnen ze ook de waterverplaatsing voelen. Om de plaats van een vis te voelen, draaien de beesten hun kop.
De zeehond heeft geen zichtbare oren zoals bij een mens, maar hij heeft gaatjes schuin achter zijn oog. Een duikende zeehond hoort geluiden tot 60000 Hz. Dat is drie keer zoveel als de mens. De geluidssignalen gaan met behulp van trillingen via de schedel naar het gehoororgaan.
De grote ogen van de zeehond hebben een gevoelig netvlies met een reflecterende laag erachter. De oogbol is groot en rond en het hoornvlies is vlak. Dit heeft tot gevolg, dat de zeehond onder water een duidelijk zicht heeft en dat hij boven water alles wazig ziet.
De nek is niet of moeilijk te zien bij de zeehond. Dit komt omdat het dier zijn nek helemaal kan intrekken of juist ver naar voren kan strekken.
De zeehond heeft een sterk gebit van 32 tanden en kiezen die hij gebruikt om vis mee te doden. Hij gebruikt zijn tanden nooit om mee te kauwen. Wel om de vis in stukken te scheuren of om de kop eraf te bijten alvorens hij de vis doorslikt. De leeftijd van een zeehond kan bepaald worden door de jaarringen in de wortel van een tand te tellen.
In tegenstelling tot dolfijnen heeft de zeehond een behaarde vacht. Deze is om uitdroging en beschadiging van de huid boven water te voorkomen.
Onder zijn huid heeft een zeehond een dikke speklaag van zo'n 3 tot 5 centimeter dik. Deze speklaag biedt bescherming tegen het koude water waarin de zeehonden leven. Op plaatsen waar geen speklaag zit, bijvoorbeeld bij de flippers, doen zeehonden op een bijzondere manier aan warmtebesparing: de aderen die het bloed naar de flippers voeren, zijn nauw verstrengeld met de aderen die het bloed vanuit de flippers terug naar het lichaam voeren. Het bloed dat de flippers instroomt staat zijn warmte grotendeels af aan het bloed dat vanuit de flippers komt terugstroomt. Hierdoor blijft de lichaamstemperatuur onder alle omstandigheden 37 graden. De flippers worden ook gebruikt om in de zomer warmte af te voeren.
Zeehonden moeten bij hun speurtocht naar voedsel soms diep duiken en dan zorgt de zware huid opnieuw voor bescherming. De vitale organen zijn er veilig in opgeborgen, want ze zijn nauwelijks samen te drukken. Maar er zijn ook andere kwaliteiten dan alleen een met spek gepantserde huid nodig om bij extreme omstandigheden te kunnen overleven. Hoe lost een zeehond het gevaar van de altijd dreigende caissonziekte op? Mensen die diep duiken en terugkeren naar de oppervlakte moeten geruime tijd onder water pauzeren om de afnemende druk geleidelijk op te vangen. Anders zou het stikstof in het bloed ons kunnen vergiftigen.
Zeehonden weten wel raad met dit probleem. De zeehond heeft bijna twee keer zoveel bloed als een mens met hetzelfde lichaamsgewicht. Dit bloed is zo samengesteld, dat het 4 keer zoveel zuurstof kan opnemen als de mens. Als de zeehond onder water is, wordt het zuurstof alleen afgevoerd naar de vitale delen zoals het hart en andere spieren, de hersenen en de longen. Andere delen van het lichaam worden dan tijdelijk afgesloten, zodat het lichaam zuurstof kan sparen. Zo kan de zeehond langer onder water blijven. Daarnaast, wordt zuurstof gespaard doordat de hartslag onder water maar enkele slagen per minuut is, terwijl het boven water 75 tot 120 keer per minuut slaat.
Als het dier opstijgt vanuit de duistere diepte, zit er vrijwel geen lucht in zijn lichaam, zodat het gevaar van de caissonziekte niet aanwezig is. Wel kan hij uitgeput zijn, want zo'n tochtje naar de bodem van de zee op 60 tot 100 meter onder de waterspiegel vergt, zelfs als je zo goed uitgerust bent, een enorme krachtsinspanning. Afhankelijk van de diepte van de duik en de tijd die de zeehond onder water is, moet hij als hij bovenkomt een bepaalde tijd herstellen. Dit kan soms vele minuten duren.